Artikelindex

(10) wat rest van mijn moeder -juli 2009

Haar huis staat te koop, het antiek is getaxeerd voor de veiling. De verkoopbrochure met foto’s van haar huis helpt ma een hoofdstuk af te sluiten. Maar ik ben er nog niet klaar mee. Voor de verkoop moet haar huis onpersoonlijk worden. Telkens wanneer ik er rondloop, overvalt me een dubbel gevoel. Het is alsof ik het huis leegruim na haar begrafenis en veelvuldig afscheid van haar neem. Bij het selecteren van blouses en schoenen voor de kringloop. Bij het uitpluizen van papieren, als ik in een giromap een oude brief van mij aan haar terugvind. Bij het glimlachend grasduinen door haar boekenkast; op eenzelfde manier konden wij beiden een verhaal, een zin, één woord proeven. Alsof ze er net als pa niet meer is. Terwijl ze nog leeft. In een verzorgingshuis weliswaar, gelaten en altijd met die ondertoon van treurigheid.

Dat zal het zijn, dat doodse. Het leven in haar lieve huis is haar ontvallen, nu zij haar dagen slijt op een minuscuul kamertje, waarin behalve het schaarse meubilair ook haar bed staat. Geen huis meer, geen thuis, enkel een ‘tehuis’, waar ze in de wachtkamer zit, vóór de laatste deur. Ik ontferm me over de resten van haar leven, zet haar huis te koop en zorg dat het pico bello oogt voor nieuwe bewoners, met eigen levens. Dus ruim ik op. Een alp van alle dingen die ze in een mensenleven heeft verzameld en heeft willen bewaren, met alle levensdraden die daaraan kleven. Ik ruim op en kom de doden tegen.

Grabbelend in een schoenendoos vol sleutels, om er uiteindelijk maar vijf bruikbare uit te halen, pak ik er opeens een waar ERIC op staat. Een voordeursleutel zo te zien, alsof ik zó zijn huis binnen kan. Ik zou met lege handen staan. Behalve die ene deur in mij, geeft er geen enkele nog toegang tot mijn broer. Mijn broertje dood. Zoekend naar nota’s en het instructieboekje van de cv-ketel, vind ik tussen de foto’s van mijn overleden vader en neefje, de persoonsbewijzen van mijn grootouders. Ik ontdek militaire logboekjes uit WO I en trouwboekjes. De bruine harde kaft van mijn grootouders’ boekje is afgeplakt met zwart band, zodat het ROUWBOEKJE heet. Was hun huwelijk dermate treurig? De registratie van twee vroeg gestorven kinderen in het trouwboekje van mijn ouders doet me aangeslagen peinzen of het húnne misschien zo had moeten heten.

Ik neem de documenten mee naar huis. Ze zullen deel worden van mijn eigen alp. Wegdoen kan niet, mijn hervonden wortels maken me completer. Weemoediger ook. Wat rest van mijn moeder, wat rest van mijn vader. Ik verhoud me opnieuw tot mijn familie. Ik vind sleutels en open deuren in mij.