Artikelindex

(16) Winterlicht -januari 2010

Sneeuw waar je maar kijkt, de wereld is herschapen. Wit en wazig, beschenen door laag gefilterd licht, dat een oranje zweem verleent aan anders zo saaie struiken. Contouren vervloeien, contrasten verzachten. Nergens zitten nog scherpe kantjes aan. Enkel langs de weg, een dropveter in een pak watten, die donker blinkend door het wit snijdt. Wie daar van af raakt kan door die witte zachte wereld dwalen, van inzicht naar inzicht, of verglijden in een diepe slaap. Mijn moeder verblijft in deze wattenwereld. Ik kom er af en toe op bezoek. De inzichten zijn voor mij, de slaap voor haar. Het moet een tia zijn geweest. We wachten op haar einde.

Vlak vóór kerst viel ze en brak wonder boven wonder niet die heup. De ambulance bracht haar na de röntgenfoto’s weer terug naar het verzorgingshuis, waar de inmiddels vertrouwde kring zich liefdevol over haar ontfermde. Goden zij dank, niet dat verpleeghuis in, niet weer veranderen. Niet weer - nog meer - ontheemd raken.

Ze valt steeds weg en eet nauwelijks. Brood lukt niet. We brengen havermoutpap en appelmoes mee. Haar warme maaltijd wordt gemalen. Voedsel blijft vaak vergeten voor haar neus staan. Er moet iemand bij haar blijven tijdens het eten. Het personeel heeft beslist goede wil en lieve zorg, maar het schort aan beschikbare tijd. De overdracht van informatie laat bovendien te wensen over. Zo geeft de één haar voor de nacht een luier om en de ander niet. Resultaat: ma plast in bed en ligt een nacht in natte lakens omdat ze niet lastig wil zijn en niet om hulp belt.

Ze blijft inmiddels vrijwel de hele dag in haar hoog/laagbed. Omdat ze zo is afgevallen, wordt mijn voorheen stevige moeder een zakje met knoken. Twee dagen in bed en ze begint door te liggen: vuurrode hielen en pijnlijke drukplekken over haar hele lichaam. Ik bestel een speciale matras. Extra kussens om goed in bed te zitten en een schapenvacht volgen. De huisarts heeft pijnstillers voorgeschreven en een kuur tegen een raadselachtige en plots opgedoken blaasontsteking.

We willen niet dat ze lijdt. We willen dat ze gaat. Hoewel.... Als het zorgcentrum voor de vierde keer op één ochtend belt, denk ik: ‘Het is gebeurd. Néé! Niet dood gaan!’ En meteen daarna, opgelucht: ‘Eindelijk!’ Als ik hoor dat ze zelfs helemaal niet op sterven ligt, ben ik nog steeds een vat vol tegenstrijdigheden: -ze mag geen pijn hebben -ik moet er naar toe -ik wil haar zo niet zien -ze moet eten, ik ga haar voeren -nee ze hoeft niet meer te eten. Dan kijk ik naar buiten en ga die witte wereld even binnen. Daar weet ik zacht en zeker: de kaars mag uit.