Artikelindex

(12) De verkokering september 2009

Ze ziet merkbaar slechter. Of vindt ze steeds minder dingen belangrijk? Ze draagt vandaag een blouse die niet bij haar broek kleurt, vroeger ondenkbaar. Hoewel mijn moeder met regelmaat bezoek krijgt, gebeurt er verder niet veel. Ze heeft altijd oud nieuws. Ze vertelt me, zichtbaar trots, wat ze elke week weer vertelt: ze ligt goed bij het personeel. Ze zijn allemaal zó aardig! En ze vinden háár ook aardig. Zo vriendelijk als ma altijd is, doet echt niet iedereen: er zitten hier ook krengen die tekeergaan alsof zo’n pleeg een deurmat is. Verzorgenden heten steevast ‘plegen’, andere bewoners noemt ze patiënten. Dat ze zelf dan ook een patiënt zou zijn, ontkent ze stellig.&

‘Hoe zit dat, mam?’

‘Ik ben beter dan de rest.’

‘Zozo!’

‘Oh, dat mag ik niet zeggen!’

Desondanks groeit haar inertie en krimpt, onder het mom van slecht zien, haar actieradius in rap tempo. Is dit nu die hospitalisering, die zou optreden bij bewoners van zorginstellingen? Zolang ma met hulpmiddelen wat kan lezen en een beetje kan breien, gaat het haar goed. De rest laat ze achterwege. Ze zet zelf geen thee, omdat het wordt gebracht. Ze belt mij en vraagt iets voor haar mee te nemen omdat ze niet weet waar het ligt en zelf niet wil gaan zoeken (Mam, je hebt al veertig pantykousjes, brillendoekjes, pakjes zakdoeken…).

Ze is gestopt met lopen op de gang toen het daar te warm was, haar hart trok het niet. Sindsdien is ‘te warm’ haast een voldongen feit. Als ik vraag of ze even wil lopen, als het koeler is, zegt ze: ‘Kunnen we dadelijk wel doen.’ Ik vergeet het vervolgens en roep vlak voor mijn vertrek verschrikt: ‘Oh we zouden lopen! Zullen we nog even?’ ‘Nee’, grijnst ma met de blik van een ontdeugend kind. Ze schudt nee met haar hele bovenlichaam en draait vergenoegd als een kat de kont nog wat steviger in haar stoel. Daar zit ze vast, als een fossiel in een rots, met alle gevolgen van dien.

Spontaan vallen er gaatjes in haar benen, waar vocht uit druppelt dat in stroompjes haar Spaanse sloffen inloopt en daar gore plekken uitbijt. Gewone schoenen passen niet meer aan haar dikke voeten. Dat vocht moet ergens heen. Pleisters halen weinig uit. De huisarts zegt dat het niet erg is. Lekker laten lopen, een schone doek bij de hand. En af en toe voor een habbekrats nieuwe sloffen kopen. Niemand hier die er naar omkijkt. Als ma nergens om vraagt, gebeurt er niets, op de geijkte minimale zorg na. Al weet ik dat er niet meer zorgtijd is, soms denk ik: ‘Verkokert alleen ma? Of zou ook het personeel aan tunnelvisie lijden?’